maandag 25 april 2011

Tekstje voor op begrafenissen 5: Iemand die opging

Bij dit tekstje voor op begrafenissen mag zachtjes "Geen zwakke zesjes." gefluisterd worden. Op de achtergrond.


Tekstje voor de begrafenis van iemand die daar heel erg in opging en stierf. Het mag voorgelezen worden voor iemand die daar heel erg in opging op een begrafenis.


Hij was altijd al hard opgegaan
en er voor gegaan
goed zijn best gedaan.

Hij zou het nooit zomaar geprobeerd hebben
liet zich niet betrappen op foolish zijn
en ging daar tenslotte simpelweg en helemaal in op.

Ik heb dat zien gebeuren dat hij op een terras zat en plezier had.

En toen ging ie dood.

woensdag 30 maart 2011

Tekstje voor op begrafenissen 4: Iemand schoon in dat kleedje

Een tekstje voor de begrafenis van iemand die schoon was in dat kleedje, opeens viel en stierf. Het mag voorgelezen worden voor iemand die schoon was in dat kleedje op een begrafenis.

Voor haar begrafenis schrijf ik idyllische dingen als
ik had verwacht dat zij als een sigaret was die nooit doven zou.
Zij was de trippel in mijn bierkorf,
de saus op mijn frieten.

Ze was zoals een videoband die men
de hele tijd zou willen terugspoelen.
Zoals een stielman,
die vindt men ook niet veel meer.

- En die was zelfs nog niet tot in de fleur van haar leven geraakt.

Hoe zij schoon was in dat kleedje,
ik zou het niet kunnen nadoen.

zaterdag 19 maart 2011

Tekstje voor op begrafenissen 3: Toffe madam

Een tekstje voor de begrafenis van iemand die een toffe madam was en opeens omkwam. Het mag voorgelezen worden voor iemand die een toffe madam was op een begrafenis.

Het was een toffe madam maar wel een heel magere.
Op koude dagen waarop haar gezichtsvel strak stond,
leek ze op een skelet waar iemand te dun gesneden sneetjes beenhesp had op gelegd. En die was altijd bleek in haar gezicht.

Wij hadden nog samen in het lager gezeten.
Toen die klein was had ik nooit gedacht
dat dat zo een toffe madam zou geworden zijn.
Het was ruim na haar dertigste dat ik voor het eerst dacht:
"In die vrouw zit iets in,
hier zie ik de kiem van een toffe madam."

Hoeveel toffer die nog had kunnen worden als ze nog had geleefd?
Ik zou het niet weten.

woensdag 2 maart 2011

Tekstje voor op begrafenissen 2

Een tekstje voor de begrafenis van iemand die homo was en omkwam na zijn relatie. Het mag voorgelezen worden voor iemand die homo was op een begrafenis.

Sinds hij uit zijn homorelatie gestapt was,
had ik het gevoel dat ik het terug over mijn hart zou kunnen gekregen
hebben hem aan te kijken.
Het heeft mij nooit bevallen dat hij georiënteerd was.
Ik noem dat onredelijk en driftmatig.

Het werd al wat friskes toen hij dood ging,
maar laat ons niet zeggen dat het al volle winter was.

Ik heb dat mijzelf nooit weten te verkroppen,
zijn oriëntatie.
Maar verder was het een heel lieve homo.
Daar niet van.

dinsdag 1 maart 2011

Tekstje voor op begrafenissen

Een tekstje voor de begrafenis van iemand die lesbisch was en die omkwam in haar relatie. Het mag voorgelezen worden voor iemand die lesbisch was op een begrafenis.


Liefde zat er voor hen niet meer in
want zij hadden al eens kinderen gehad
en ze zaten op zee zonder boot
want die arme vrouw had haar eigen vlot in brand gestoken.

ARME VROUW
die vreselijke aanvallen van Heather
die met de mond in de tong praat
en haar uitvallen toch.
IS DAT WIJN?
Wees er alstublieft voor haar.
Ga eens langs bij haar.
Sinds ze dat lesbisch koppel
niet meer vormt doet ze toch
zo vreemd!
Ze heeft net zo goed als
moeten vernemen dat ze
helemaal
niemand heeft
eigenlijk.
Ze hebben het gedaan gemaakt.
Ze heeft dat allemaal alleen moeten dragen.

En ze woonde dan nog wel in die boot ook
nog, ook dat nog. Waar ze graag woonde!
Dat het niet gepland was of
in de trant van
Elke Atlanta - haar wederhelft in de voormalige
vorming van het lesbisch koppel
die deels ook haar, hun eigen boot in brand had gestoken,
die inbreng had gehad.

Ze had gedacht,
die arme vrouw,
die ligt plat, die is niet goed,
ik ga die plat laten liggen,
die gaat plat moeten blijven liggen.
Maar toch niet op een brandend vlot.
Boot. Woonboot.

Houd het beestje recht
geef het wat water
zeiden ze nog
steek het in een dozeke
met wc-papierkes
goed voorzien van iemand die
de was en plas doet
van het arme beesteke.

Ze hadden een jonge merel in de tuin op hun boot
waar ze nog een nanny voor hadden gekocht.
Zo een lieve mensen dat dat waren!
Zo'n lieve!

maandag 10 januari 2011

Niet echt een titel

Dit gaat over de vier minuten in je leven waarin elke minuut het meest telt. Meer dan alle andere minuten die tellen. Dit is
voor de dag waarop je hulpeloos in het water ligt,
voor wanneer je borstels vol oud haar zitten
en mensen aan de oever dingen naar je toewerpen.
Voor wanneer je haar niet meer zo kastanjebruin is
maar lichtbruin met een ietwat grijze schijn
- maar heus niet grijs.

Voor wanneer mensen dingen naar je toewerpen
en zich afvragen hoe die vrouw er als twintigjarig meisje
uitzag en hoe ze daar toch is terecht gekomen.
Voor wanneer mensen niet langer touwen en boeien
in het water werpen
maar foto's in kaders en gerechten in potten
uit de koelkast.
Voor wanneer heel je geschiedenis in een doos past
waarvan de inhoud je wordt nagegooid
en mee zinkt.

Voor alles wat je ooit werd beloofd.
Voor eeuwige liefdes,
namiddagen in de zon en
een gegarandeerde tweemaandelijkse bloei.
Op zekere leeftijd moet men zijn tenen
niet langer in schoenen van vroeger
trachten te stoppen, want meer dan tenen
krijgt men daar toch niet meer in.
Voor alles wat ooit jouw idee was.
Voor onze dode ouders
en zieke zusters.
Voor je zwarte Minnie Mouse-hakken.

Voor de keren je je huis niet meer zal uitkomen
en de dingen enkel nog als schaduwen
van de zon op je muur zal zien.
Voor het huis waarin je als eerste zal aankomen,
dat je zal vullen
en als laatste bewonen.
Voor alle kennis die je hebt gehad.

Voor het oude vrouwtje
dat jassen had inmiddels tot op de grond en
wiens voeten voortgleden in de sneeuw.
Voor het vrouwtje dat zich toen van het jaagpad
afduwde en op haar achterwerk
de rivier in gleed.
Voor het vrouwtje dat in het water de ogen enkele malen
knipperde. Omdat het er zo koud was.
Voor het vrouwtje dat niet zag wat haar
werd toegeworpen en voor het vrouwtje dat
zich gewoon liet glijden.
Het vrouwtje dat niet zomaar een vrouwtje was
maar een prinses en eigenlijk ook nog een klein meisje
met op haar schouders mijn rustende ook oude handen.
Een paar pantoffels onder een rode jas
en toekijkend van in de wei;
heel veel lichtbruine bambi's.



Jacoba in Central Park.

donderdag 30 december 2010

De heer zal bij u zijn

Henk is de man die bouwt een serre,
alle ramen met krantenpapier bekleedt
en de planten dan vertelt over het licht.
Die de snoepjes voor mee naar school
van zijn kinderen begraaft in de tuin,
dan zegt: "Ze zitten in de brooddoos."

Al het zweet dat zijn lichaam ooit verlaten heeft,
is er inmiddels langs dezelfde huid terug ingekropen.
Als mosterd wringt het zich soms nog naar buiten
maar daar blijft het enkel mosterd.

Henk is de man die schenkt een geschenk,
dan zegt: "Dat is niet voor u."
Die alvorens hij iets doet reeds zegt:
"Ik deed het enkel voor mezelf."
Waarom hoofs zijn als bizonvellen
evengoed warmte geven;
Waarom iemand verkrachten
als men evengoed meteen kan doden?

Maar iedereen denkt:
"Henk is als een grote champignon.
Te groot voor uw bakkes,
maar als ge er in snijdt,
wordt hij helemaal plat.
De planeet zal zich wel tegen hem keren."

Maar de planeet doet juist niets
en het volk zit neer
en Chrétien de Troyes moet nog geboren worden.
Maar of Chrétien nu al geboren is of niet,
dat maakt niets uit.

Het volk zal elkaar altijd vibraties
willen geven via de telefoon.
"Kunt ge mij bellen? Het is voor vibraties."
Het volk pakt geen pillen maar tabletten.
Het volk voorziet scampi's met kerst
en kaasfondue op oudjaar.
Het volk blijft tot na twaalven
maar liever lag het dan al in bed.

Onze vader,
wij zijn uw schapen en er zitten plooien in ons behang.
Henk heeft ons behang afgetrokken
want hij vond het niet schoon,
maar wij kennen Henk niet.
De heer zal u bewaren,
zoals de man die de flessen bewaart
waarin hij het laatste jaar heeft gepist.

vrijdag 3 december 2010

Paula

Dat gevoel van ergens helemaal alleen aankomen en op zoek gaan naar de blikken die zeggen:
"Kom, voeg u bij ons. Ge kent ons niet, maar ga vanaf deze dag een jaar verder en deze blik zal u zo vertrouwd lijken.
Kom bij mij, en het resterende deel van mijn leven lang zal ik niets liever willen dan samen met u kaarsen doen branden en doven. Want er is niets mooier dan een donkere kamer waar een kaars wordt in aangestoken. En als er kaarsvet op een van onze handen valt, dan doen we gewoon verder. En als onze lucifers op zijn, dan halen we gewoon nieuwe. En de geur van gedoofde kaarsen. Kom hier, en binnen een paar dagen zult ge u al op uw gemak voelen bij ons. Of alleszins bij mij. Want ik zal uitgroeien tot uw lief of uw vriend of misschien wel tot uw vijand, of ik zal eerste minister worden."
- "Maar neen.", zei Paula: "Gij zijt op zijn minst al zeventig. Dat is niet meer de moeite."
"Paula. Ge zijt nu negenentwintig. Voeg u binnen zestig jaar bij mij, en als ge tijdens het eten in slaap valt, zal ik u wakker babbelen. Ik zal roepen: "Paula!". En ge zult wakker schieten en ge zult mij vies bekijken en ge zult mij haten omdat ik u altijd wakker babbel tijdens het eten. Maar ge zou mij dankbaar zijn, want zonder mij zou ge niet meer eten en nog vroeger sterven. En ge zou rond kijken en ge zou de muren van onzen home zien en ge zou denken. Ge zou niets denken. Want oude mensen denken niet meer. Oude mensen laten alleen los. Ge denkt aan uw huis Paula. Uw huis dat er nog staat, maar waar ge van weet dat het nooit nog uw huis zal zijn. Ge denkt aan uw spullekes, en ge kijkt naar het slaapkleed dat ge nu aan hebt. En ge denkt aan waar al uw spullekes liggen. Ge denkt aan uw naaimachine. Ge denkt aan hoe ge uw kleinkinderen steeds van uw naaimachine moest jagen. "Pas op uw vingers!" En ge zijt uw spullekes aan het loslaten. En ge kijkt wat tv. Dan komt het moment dat het voor u niet meer uitmaakt of uw huis er nog staat of niet. En dan zijt ge dood. Tot binnen zestig jaar Paula."

zondag 17 oktober 2010

Ik ga op reis en ik neem mee

Het is niet de kilte in een huis dat gister nog warm was,
niet de kat die de deur krabt,
het is de lucht die zegt: "Pas op, hier gaat iemand dood gaan."

En ieders ogen die zeggen: "Als het maar niet die van mij is."
Het is de angst bij elk telefoongerinkel.
"Als het maar niet die van mij is."
De opluchting maar ook herboren angst bij een volgend gerinkel.
"Is het die van mij?"
Als kleine muisjes met angstige oogjes
klaar om doodgetrapt te worden.
Maar het is niet die van u.
Het is nog niet die van u.
Zal ik u maquilleren voor de dag waarop ge dood gaat?
"Neen, nog niet, niet vandaag.
Maar 't zal wel gaan komen."

Het moment waarop de dood zo dichtbij is gekomen
dat ze in uwe nek staat te asemen.
"Ik kleur mijn haar niet meer want het is niet meer de moeite
en ik heb geen haar meer."

Het is niet de stilte enkel doorbroken door het tikken van de wijzers van een klok,
het zijn niet de vazen waar de bloemen reeds lang alle water hebben uitgezogen.
De laatste zijn die uw huis verlaat.
Als laatste de deur achter u dichttrekken,
niet wetend wat er daarna met uw deur zal gebeuren.
"Drinkt nog een taske koffie. Het is misschien uw laatste.
En ge dronk zo graag koffie.
Denk aan al die keren ge uw deur hebt dicht getrokken,
en drink er een taske bij."

Als kind bouwde ik steeds blokkentorens,
en die blokken waren al heel erg oud.
En als ik dan opkeek, dan zag ik mijn oma in de sofa.
En dan dacht ik: "Mijn blokken zijn al heel oud,
mijn oma is al oud.
Maar mijn blokken zullen nog lang meegaan,
net als mijn oma."
Als kind duurt het niet lang
vooraleer je groter bent dan je oma.
- Joepie, ik ben groot, al groter dan mijn oma!
En ik bouw torens, ook hoger dan mijn oma.
"Maar ik word ook kleiner jongen."
-Maar waarom word jij kleiner oma?
"Omdat ik al oud ben.
Ik ben al oud, maar niet stokoud.
Ik kruip heel graag onder de wol.
Ik ben nog geen negentig.
Ik eet graag taart en zelfs met pruimen.
Pruimentaart die lijkt op appeltaart,
want appeltaart eet ik echt ontzettend graag.
Ik word ouder, want ik word sneller moe
en kindjes hebben onuitputtelijke energie.
Ik ben geen kindje meer.
Ik zal ook nooit nog een kindje zijn.
Ik zit in mijn laatste fase,
de eindspurt naar de meet."

Allez madam, ge gaat op reis.
Wat neemt ge graag mee?
- "Wat kan ik meenemen?"
Ja, dat weet ik ook niet.
- "Oké. Ik ga op reis en ik neem mee..
Niks.
Want ik ga zonder valiezen."

Naar het kerkhof gaan en kunnen zeggen,
daar ligt iets dat van mij was.
Daar ligt iets dat mij op schoot nam en in mijn wang kneep.
En ik had dat heel erg graag.
Daar ligt iets dat mij geborgenheid gaf
en vorm aan mijn bestaan. En betekenis.
Iets dat onsterfelijk leek omdat het al
veel eerder hier was dan ik.
Iets dat enkel een leven voor het mijne leek te hebben,
omdat er hoeden op de kast stonden,
en omdat die hoeden tijdens mijn leven nooit gedragen werden,
en dat die toch ooit moesten gedragen zijn,
maar niet wanneer ik in leven was."

Een tapijt, de blokkendoos, mijn oma in de sofa.
En ik die torens blijf bouwen voor mijn oma,
torens hoger dan mijn oma.
Mijn oma die naar de winkel gaat en
de deur achter zich sluit.
En ik die op de drempel voor de deur zit te wachten.
De deur zit te bewaken.
Hier woont mijn oma,
en hier zal mijn oma altijd wonen.
Ik heb mijn oma nooit elders geweten.
Dit is van mijn oma, haar stekske.
Dit is de sofa van mijn oma,
dit is haar bed.
Dit zijn de spullekes van mijn oma.
Blijft daar eens af.
Ga hier eens buiten.
Ik zal de deur wel bewaken oma.
Ik zal ze wel voor u sluiten,
zodat gij het gene laatste keer moet doen.
Ga eens weg, mijn oma komt zo thuis!

Allez oma,
ge gaat toch ni weg,
gij kent mij al zo lang!
Niemand kent mij langer.
Allez ge gaat toch niet weg zeker.
Hou mij nog eens in uw armen.
Wieg mij.
Borduur mijn naam op al uw handdoeken.
Eet mijn suikerboontjes.
Allez kijk hoe schoon mijnen toren
van suikerboontjes.
Ge zijt zo verzot op suiker.
Eet nog eentje.
Lees mij nog een verhaaltje.
Smeer mij nog een boke.
Fiets nog eens met mij achterop.
Maak nog eens uw pannenkoeken.
Rol de ballekes voor de soep.
Geef mij nog een zoen.
Allez toe ga toch ni weg.
Al mijn vrouwen verlaten mij.
Ik voel mij zo alleen zonder u.
Ik zal mijn vingers niet meer verbranden aan uw strijkijzer,
ik zal de bladeren van uw planten niet meer knippen met mijn kartelschaar,
ik zal voor u naar de winkel rijden.
Ik weet wel dat ge niet altijd zou kunnen gebleven zijn.
Toen ik klein was hoopte ik, allez, geef haar nog tien jaar.
Laat haar mij meemaken.
Want ik wil zo graag dat ze mij meemaakt.




donderdag 23 september 2010

Dit is niet het verhaal dat ik wilde schrijven

Geschreven voor "Daníell In The Sea - Jónsi & Alex".

Danielleke bij de zee.
Hij is schelpkes aan het rapen.
Met zijn kleine pollekes schept hij zo nen helenboel zand mee.
Zijn zakske zit vol zand, hoop en al vijf schelpen.

Zijn mama en zijne papa zitten op den dijk.
Beide met ne verrekijker.
Beide niets anders doend dan naar hun Danielleke kijken.
Ze houden hem in 't oog.
Het is niet dat ze zijn uitgepraat,
ze dienen het hogere doel.
Ge vraagt u misschien af:
"Waarom gaan ze niet gewoon bij hun Danielleke zitten?"


Danielleke is wa eenzaam.
Hij praat niet met de andere kindjes,
zij evenmin met hem.
Zijn ouders willen hem wat pushen.
Wachten op het moment dat een ander kindje,
ook schelpkes rapend, op Danielleke botst.
En dat het dan zou zeggen:
"Hé, gij raapt ook! Doen we samen?"



't Is winter, 't is koud.
Danielleke speelt bij de zee.
Hij raapt schelpkes, zijn zakskes zitten vol zand.
Danielleke is eenentwintig.
Hij heeft een kettingske, het zegt: "Danielleke <3."
Zijn mama zit op den dijk.
Ze heeft ne verrekijker vast, ze kijkt naar hem.
Ze heeft den bibber, ze is al oud maar niet stokoud.
Ze denkt:
"Dit is niet het verhaal dat ik wilde schrijven."

Danielleke bij de zee.
Het water kruipt in zijn
opgerolde broekspijpen.
Zijn mama zit op den dijk,
ze heeft ne verrekijker vast.
Ze denkt:
"Ga toch ni zo diep jongen."


Danielleke gaat wandelen.
Hij springt over de golven.
Hij laat ze tot aan zijn middel komen.
Danielleke is aan het wandelen.
Hij probeert nog over de golven te springen.


Het moment waarop een achtervolging een zoektocht wordt.
Wanneer "Ja, daar is ie, ik zie hem.", "Hier moet ie vast wel geweest zijn." wordt.
En dan langs een weg waar niemand woont, achtervolg je.
Maar die ene weg waarvan je met zekerheid kon zeggen dat hij daar ook was, is nu honderd wegen geworden. Wegen waar hij slechts mogelijk langskwam.
Je achtervolgt zonder te weten of je nog wel volgt.

Ge kunt geen kaarske doen branden aan de zee.