Posts tonen met het label Verhaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Verhaal. Alle posts tonen

maandag 19 januari 2009

De dagen krimpen

Met haar vale, knokige handen smeerde Sanseveria de crème minutieus op het gezicht. Rimpels werden gevuld met een yoghurtachtige balsem. Haar nagels waren dor en lang. Ze stak zich elke avond haast de ogen uit. Met een geëxalteerde gracieusheid wierp ze een laatste blik op het gelaat. Morgen zou het goedje de kleur van haar huid aangenomen hebben. S. voelde zich graag jong. Ze gebruikte zoveel tandbleekmiddel, dat haar tandvlees afstierf en haar hele mond zweren vertoonde. "Dat spul werkt als industrieel ontstopper.", had de verkoper gezegd. Ze ontblootte de voeten en stapte in bed bij haar Servaas. Beide sliepen enkel samen als hij kort voor slapengaan in zwijm gevallen was. De man kreeg zoveel calorieën binnen dat hij slechts sporadisch de slaap kon vatten. Servaas had longoedeem en boulimie, en spendeerde veelal de hele nacht voor de televisie. Het scherm had inmiddels Servaas' gelaatskleur bepaald. Vooral The Bold and the Beautiful, kon men op de kaken volgen.

"Er is nog rijst van gisteren.", riep Sanseveria haar echtgenoot die ochtend na. De ramen van het huis waren zo gemaakt, dat het binnenshuis steeds leek te stormen. Grote holtes deden het hele huis kletteren, kleine gleufjes floten hevig. Ze had niet de tijd om vandaag Servaas' voedsel te bereiden, en klom op de fiets. Zonder aan de pedalen te raken, bolde ze de straat uit. Terugkomen kon ze enkel met de fiets aan de hand. S. had haar capuchon over het hoofd getrokken. Autobestuurders reden in een grote boog om haar heen, omdat ze dachten Sanseveria van de fiets te doen waaien, zo frêle was ze. Haar blote benen leken op knapperige, langwerpige ovenhapjes.
Ze danste elke donderdag. Vandaag kwam er echter niemand opdagen. Ze danste alleen, aan de rand van het podium. Niemand keek. Haar lichaamscontouren tekenden zich af langs de planken, door een klein obsceen raampje kon ze de voeten van de voorbijgangers zien. Sanseveria tuurde de hele tijd naar de man achter de toog. Normaliter werd de kroeg uitgebaat door Sarah-Joy, waarmee S. graag de laatste bagatellen uitwisselde. Beide vrouwen informeerden elkaar diepgaand over hun voorbije televisiedag. De man kreeg het ongemakkelijk, "U danst goed hoor, mevrouw. Voor uw leeftijd.". Sanseveria bleef turen. Ze stapte de treden van het podium af en begaf zich naar de bar. "Een koffie graag."
Naast haar leunden twee vrouwen tegen de tapkast.

"We zijn gisteren naar de zee geweest. Al mijn kinderen zijn verdronken."
"Kom dat tegen. Het kan wel varen hé. Ze worden groot zeker?"
"Neen, ze zijn dood."
"Ahja."

S. liep naar het toilet om haar werkplunje aan te trekken. Zomer jongstleden had ze een baan gevonden in Mustapha's pittabar, waar ze een kindvriendelijke, McDonald’sachtige sfeer hielp te verwezenlijken. Weldra werd ze er verwacht. Sanseveria was clown, een der Mustapha's clowns. In clownspak liet ze zich verder van de helling rijden.

"Je bent te laat."
"Maar ik heb het pak al aangetrokken."
"Je bent te laat. Vandaag geen geld."
"Dan werk ik niet."
"Dan moet je morgen ook niet komen."

S. perste een lach op de lippen, en aaide kinderen met een geveinsde tederheid. Mustapha sloot pas om middernacht, waarna S., met de fiets aan de hand, naar huis stapte. Het was koud, ze had haar broekkousen aangetrokken, hield het te grote clownsgewaad naarstig omhoog. Gordijnen waaiden stormachtig uit hun ramen, een bierglas vloog rakelings langs het hoofd. Infaam sloegen moeders hun koters. In dit hol staarde iedereen onbezield voor zich uit. S. had de vriendelijke knikken reeds geruime tijd opgegeven. Het maakte haar zo desolaat. Naakte hoeren werden verkracht door honden, omstanders besproeiden hen met bier.

"Jij daar. Huur jij niet een kamer des vaders, aan de Ketelheide?"
"Dat klopt."
"Je moet nog betalen."
"Maar, ik heb net."
"Je moet nog betalen."
"Jullie zijn gek. Vraag jullie vader maar."
"Geef ons nu wat geld, oude repulsieve kween."
"Maar ik heb geen geld."
"Dan zullen we je te grazen nemen."

Sanseveria haastte zich op de pedalen van haar fiets, en trachtte voor de eerste maal de heuvel op te fietsen. Ze hief het achterste van het zadel, en trok zich recht aan het stuur. De drie mannen stormden naar de fiets. Een pedaal brak af, en S. dook tegen de vlakte. Ze lieten haar liggen, en liepen bulderend en bezopen verder. Het clownspak was verfomfaaid.

Die ochtend had S. zich geërgerd aan een verstopte afvoer. Ze had ontstopper meegebracht. “Dat spul werkt als industrieel ontstopper.”, had de verkoper gezegd. Ze liet drie volle flessen in de wastafel storten. Het putje slikte zoveel mogelijk, liet alles weer even opborrelen, waarna het goedje begon te zieden. Ze krabte met haar nagels de verharde crème vantussen de rimpels. Haar ogen zakten opnieuw naar hun oorspronkelijke positie, de ooghoeken gleden naar beneden. Ze had het gezicht van een treurige hond. Twee diepe rimpels tekenden haar wangen. De oren stonden veel te hoog om die van een mens te kunnen zijn.
Ze zette de clownsneus af. De witte badkamertegels waren kil, en deden haar voeten rillen. Het huis werd nooit verwarmd. “Zo voel ik dat ik leef.”, zei S. Voor het douchen wilde ze Servaas nog even gedag zeggen. De badkamerdeur zat vast. Ze werd paniekerig wanneer ze rookpluimpjes zag binnen glippen. S. liep naar de toiletpot, en hief zich met veel ongemak naar het kleine raampje. Ze stak haar hoofd naar buiten en wilde om hulp roepen. De drie mannen stonden in de achtertuin. Ze lachten en zongen.

"Klein vrouwtje van perkament, van je huis rest nu nog 't fundament, ons rest enkel nog jouw excrement."

De buren stonden op de achtergrond mee te neuriën.
S. sloot het raam, liep naar de douche, en draaide de kraan open. Het koudste water liet ze over haar hoofd vloeien. Het clownspak werd zwaar. Ze liet zich tegen de cabinewand naar beneden glijden en huilde. Ze sloot de ogen, bracht de handen naar het hoofd, en omsloot de oren. De haren pulseerden met het water. Het hoofd bewoog ze in cirkels onder de waterstralen, zachtjes. Ze hoorde de zee. Elke keer ze het hoofd wat verder vanonder de waterstraal haalde, hoorde ze een grote golf. Als ze trager bewoog, hoorde ze een lang uitgerekte golf die op het strand aanspoelde. Ze hoorde het zand meegenomen worden. Ze had zichzelf steeds geleerd de dood te relativeren. Ze had de zee nooit gehoord. Ze had niet gelukkig geleefd.
Alvorens het vuur de trap bereikte, raakten de leidingen verhit. De zwaveldampen van de ontstopper verspreidden zich in de badkamer.
Sanseveria werd samen met de resten van haar badkamer in een kist gegooid, en begraven op het kerkhof. Want dat is wat ze zeker niet wilde.

Een grote kaars wordt omringd door kleine kaarsjes. Wanneer de grote kaars brandt, laat ze het overtollig vet in de andere kaarsjes lopen, en verdrinkt hen.

woensdag 31 december 2008

Slaapdronken

Charmaine lag die avond niet in bed. Ze dacht aan pruimpjes, en opende de ogen opnieuw. De ruwe fauteuil waarin ze was beland, deed haar ruggegraat krommen. Aan de geluiden die de wagens die door de straat reden maakten, merkte ze dat het de afgelopen uren had geregend. Haar geheugen was leeg, de ogen half gesloten. Wat onbestemd vocht druppelde langs haar slaap de rolkraag in. Met beide handen duwde ze zich uit de zetel - ze trachtte de benen niet te gebruiken. Met wankele passen verliet ze de eerste verdieping, om door de achteruitgang van het gebouw naar de onverlichte tuin te kijken. Ze kwam er vaak tot rust. Aan de achterzijde van het huis, waar elke nacht een strijd geleverd werd tussen de buurtkatten, was tevens de veranda. Niet meer dan een halve koepel tegen de achtergevel aangedrukt, enkel bestaande uit dunne glazen wanden, en meer gelijkend op een te groot uitgevallen, doch halve, tuinserre. Charmaine merkte dat ze de toegang eerder vergat te sluiten, en trotseerde even wat door de wind meegenomen druppels. De zware deurklink viel bij de windvlaag in het slot. Charmaine baande zich een weg naar de tweede verdieping, langs de vele kamerplanten die de vorige huiseigenaar, Mark Twain, had achtergelaten. Mark had in Hawaii geleefd, en hield van reptielen. Wanneer men hem enkele weken geleden vond in het huis, hadden twee slangen hem reeds langs weerszijden ingeslikt. Het kostte de agenten uren vooraleer de dieren de bek wilden openen. Uiteindelijk werden de slangen, op hun beurt, gedood. Charmaine had de reptielenkamer sindsdien onberoerd gelaten, en wachtte liever tot ook de andere slangen zichzelf vernietigd hadden. De walmen die zich vanuit de deurspleet over de hele tweede verdieping verspreidden, beloofden een geslaagde tactiek. De tweede etage leek groter dan een voetbalveld, en steunde met vier enorme zuilen rechtstreeks op het aardoppervlak. Twee ervan raakten de huizen aan de overzijde van de straat. De andere verdiepingen, het waren er twaalf, hadden geen merkwaardige afmetingen, en bestonden steeds uit een grote kamer met veel pilaren.
De hoofdpijn bleef, maar inmiddels was Charmaine erin geslaagd wat nieuwe gedachtebronnen aan te boren. "De kinderen.", kwam haast als een dronken boertje uit haar mondholte. Ze vergat hen in te stoppen. Vier en zeven, Dudley en Joan. Half-wezen, sinds de dood van Mark alleszins. Driehoog, werd Charmaine opgeschrikt door een schreeuw, en een deur die te hevig werd gesloten. Met vier sprongen van de trap, belandde ze opnieuw op de tweede etage. De deurspleet onder de reptielenkamer toonde een lichtstraal, en Joan herhaalde diezelfde kreet. Een klap op het hoofd deed Charmaine op de grote betonnen vloertegels belanden. Drie schaduwen bewogen in het door de gordijnen achtergelaten licht. Het werd stil in de reptielenkamer.
Intussen probeerde een tengere vrouw van veertig de bewoners van het huis met de dertien etages te alarmeren van haar bezoek. Charmaines wagen belemmerde het verkeer in de straat. Een geel notebookpapiertje dat aan de voordeur hing, trachtte de vrouw iets duidelijk te maken. Regendruppels hadden van het papiertje echter een natte frommel gemaakt. "HANDLUKN?"
Voor Charmaines ogen lag het beeldje dat ze had gekregen van een vriend, na diens rondreis door Afrika. Erik was zijn naam. Hij had het moeilijk gevonden wat mee te brengen, maar een schijnbaar authentiek Khoikhoi-borstbeeld leek hem wel gepast voor een verse weduwe. Het beeld verdween in haar bovenooghoek, en de koelheid van de betonnen tegelvloer werd het schuren van het woonkamertapijt. De harkerige haardos van het vloerkleed voelde aan als een kaars die een honderdste van een seconde lang haar gezicht tekende, dan even scheen te verdwijnen, maar zich meteen heropstelde. Charmaine was onder narcose gebracht, maar bespeurde evenwel de geur van uitgebroken maagzuren. Twee handen tilden haar dijen op, terwijl een schaar de broek die ze droeg met grote halen versneed. Ze trachtte te gillen, maar een snelle strook tape ontkrachtte haar stemgeluid. Charmaine dacht aan het bankje waar men haar intussen had opgelegd, een stuk meubilair uit de speelhoek. Twee dijbenen wrongen zich tegen haar billen, en een penis baande zich een weg tussen haar schaamlippen. Diepe halen vraten de schede aan. Charmaine voelde niet langer met hoeveel men die avond haar binnenste bezocht.
"HALD INDLUKKEN!" De tengere vrouw van veertig bevocht de deurbel, en plaatste de oren tegen de glazen wand van de voordeur. Ze hoorde wat, en duwde daarop de toegangsdeur open. Eens belandde ze op die manier in de woonkamer van George Verkammen, die de buitenechtelijke relatie van zijn wederhelft net aan de lijve ondervonden had. Sinds die dag was ze niet wijzer geworden. Langzaam klom ze twee tredes omhoog, en lonkte over de tegels van de eerste etage. De frêle veertiger nam enkel een in duisternis gehulde sofa en een hoek met kamerplanten waar, en stond weldra twee verdiepingen hoger. Een deur die oplichtte trok de aandacht. Een touw werd haar rond de benen gebonden, waarop ze het evenwicht verloor, en met het hoofd tegen de deur bonkte. Ze zag twee kinderen bengelen aan een touw. Een slang had zich rond het been van het ene kind gewrongen, en aan de tenen van het andere kind kronkelden enkele andere serpenten. Bloed liep langs de schubben naar beneden, in een plas die zich vermengde met het water uit een omgekieperd aquarium.
Eddy was 37 en woonde bij zijn dode moeder. Ze was nooit sociaal begaafd geweest en spendeerde de laatste dertig jaar van haar leven in de woonkamer van het huis. Toen ze op een nacht stierf, had Eddy het niet nodig gevonden wie dan ook van haar vertrek in te lichten. Ze was verschrompeld en stonk niet meer. Op dit moment, trok Eddy zijn geslachtsdeel terug uit het lichaam van Charmaine, ruilde het voor een pistool, en haalde de trekker tweemaal over. De tweede kogel verliet Charmaine langs het topje van de schedel.
[…]
Toen de vrouw met het lambdacisme er uiteindelijk in slaagde de kamer te verlaten, had het zuur zich zo diep in haar poriën genesteld dat, toen ze schreiend wegrende, rondfladderende huidschilfers de utopie van een witte kerst even werkelijkheid maakten en men haar even na middernacht makkelijk kon opsporen – delen van haar ontwortelde haardos vormden een quasi ononderbroken collier langs het trottoir.

zondag 31 augustus 2008

Straatgebeuren

"Laat iemand deze man beseffen dat hij dood is." Het verbaasde me dat er voor het eerst sinds geruime tijd wat te beleven viel in de straat. Ik was tien en zag hoe een myriade van druiloren zich voor nr. 12 installeerde, botsend en met enkele aarzelingen alsof ze achternagezeten door vleesetende neushoorns twijfelden tussen vluchten of boomklimmen. Vanop een stapel oud papier die deze ochtend voor de deur van de slager was neergezet, zag ik de vrouw van de bakker en mijn oude buurvrouw Rita, die puffend neerknielde bij het lichaam van een man. Dit deed me vermoeden dat ze bij het merken van enige commotie meteen de straat was opgerend - niet vanzelfsprekend wetende dat ze op het achtste woonde en enkel nog buitenshuis vertoefde om eenmaal jaars naar het kerkhof van haar in de burgeroorlog overleden echtgenoot te hinken, want ze hinkte als geen ander. Even vervlogen mijn gedachte naar de woonkamer van tante Rita, want zo had ik haar altijd al genoemd, waar ik haar in een veel te klein maatje 32 op een heus fitnessapparaat de krimpende beentjes zag trainen. Ze moet lang naar deze dag hebben uitgekeken. Doorheen schouders en kinnen zag ik de man nu grotendeels, gefrappeerd door niets anders dan een qua grootte aanzienlijke lach, en een oranje hoed. De reden van het inmiddels groots opgezette spektakel bleef me voorlopig onbekend, vooral omdat een heuse industriële kippenren nu de straat had gevuld. Wauwelende individuen op de rand van hun bestaan deden me opnieuw in Tante Rita's woonkamer belanden, ondersteund door mijn wildste fantasieën. Hersenspinsels werden echter doorbroken door plotse beweging in het kamp van de omstanders. De man, de oorzaak van dit tumult, stond op en greep de vrouw van de slager bij de hand, waarop deze even een angstige kreet blies, maar al gauw ietwat beschaamd de hand naar het gelaat bracht, implicerend dat ook zij wist dat er niets aan de hand was. Een weg had zich intussen door de menigte gevormd, en de hele mensenmassa was enkele passen achteruit gegaan - ik giste, met als motief de mans slordige en obscene voorkomen, dat dit wel eens door de wegens hem verspreide walmen zou kunnen komen. Even strompelde hij verder tussen de kasseien van de straat en de door de jaren heen geaccumuleerde hoop asfalt van de stoep, om enkele seconden later neer te vallen. Even zag ik Del Shannon voorbij wandelen. Hij keek op en lachte de man toe, al besefte ik dat men Del ergens in de '80 vergeten was - in de UK bleef hij echter wel populair. "Ik heb je!", riep de gevallen man met de hoed - die intussen 'cowboyman' was gedoopt, waarop de inwoners van mijn straat, maar ook van ver daarbuiten, wederom als aasgieren rond de man cirkelden.
<"Wat zegt hij?" "Men zegt dat hij van de prairie komt." "Wedden dat hij een ontsnapte lunatic is." "Laten we hem uitkleden en op de kerktoren hijsen." "Wetjet al van den deinen?">

"Ik heb je!", riep Cowboy opnieuw - want ik prefereerde de praktische naam, waarop hij greep naar iets wat men niet zag. Een plaatselijke wijsgeer verliet de contouren van de menigte, en zei: "Deze grijsaard speelt met het niets, dus moet niets toch wel iets zijn, en behoort het iets, dus ook het niets niet tot het alles?" Ik zag het geloof uit de straat wegvloeien, en ik denk dat geen een nog enig benul had waarover dit alles ging, wat ook resulteerde in de eerste afdruipers. Overal ontwaarde ik tijdelijk defecte lichamen met wezenloze blikken, gesierd door schaduwen die zich steeds verder van de lichamen afzonderden. "Laat iemand deze man toch beseffen dat hij dood is!". Even later werd Cowboy door mannen in zwarte pakken uit het straatbeeld verwijderd, waarna ik tante naar huis zag strompelen, net als de andere straatbewoners. Nog lang werd hierover nagepraat. Men zei dat hij schadelijk was voor de volksgezondheid, en ergens buiten de stad wegkwijnde in een cel. Ik hoopte dat hij het niet opnieuw kwijtgeraakt was, maar besefte dat alles wat Cowboy ooit rijk was, hem nu arm zou zijn. Hij zou zichzelf nooit vergeven het opnieuw verloren te hebben, en toen besefte hij dat hij dood was. Niet veel later stond het in de krant. De publieke opinie luidde: "Neem een man zijn geloof niet af!", maar men snapte het niet. Wat zou het? "Laat iemand deze man beseffen dat hij dood is."